Geschiedenis
In de tijd van 200 jaar v. Chr. tot 200
jaar n. Chr. worden er door schrijvers honden beschreven, die men
'Molossers' noemt. Ze onderscheidden
daarin twee types:
1. een slanke, beweeglijke molosser met
een enigzins lang hoofd, en een lichte tot witte kleur;
voornamelijk gebruikt als herdershond.
2. een zwaargebouwde molosser met een
machtige kop, en een korte, dikke snuit in donkere kleur;
gehouden ter bescherming van huis en haard.
Vanuit Tibet en Peru kwamen zware honden via Griekenland in het Romeinse Rijk terecht. Deze zeer zware
honden werden onder meer in het leger gebruikt. Ze gingen met de
manschappen mee naar voren om werkelijk met donder en geweld de
tegenstanders onder de voet te lopen.
Omdat ook de honden niet
onkwetsbaar waren, werden de uitstekende lichaamsdelen, waar de
vijand vat op kon krijgen, radicaal afgehakt. Niet uit
schoonheidsideaal, maar puur uit noodzaak om te overleven.
De honden werden in eerste instantie dus gebruikt als legerhond. Door hun grote werkwilligheid konden
ze ook afgericht worden als bewakings- en verdedigingshond. Ook
waren ze prima te gebruiken voor het opdrijven van vee. Hier lag
dan ook de toekomst voor deze honden.
|
Bij de bevolking ontwikkelde zich
langzaam aan de theorie, dat runderen die voor het slachten
opgehitst werden, malser en dus beter te eten zouden zijn. Hierom
hielden slagers zware drijfhonden, die het slachtdier nog eens
extra op moesten jagen. Dit werd een volksvermaak. Men ging zich toeleggen op het fokken
van kleinere en wendbaarder molossers, beter bekend als
Bullebijters.
Men fokte twee soorten honden. Een grotere en snellere hond voor
de jacht en een kleinere, forsere hond voor het vechten. De Danziger- en de Brabanter bullebijter. De
Brabanter bullebijter is de grondvorm van de tegenwoordige boxer.
De Engelsen gebruikten de hond om er de Engelse Bulldog mee te
fokken. De Duitsers wilden echter de gebruikswaarde behouden en
daar ontstond de boxer.
|
In 1895 riepen E. König, R.
Hoepner en F. Robert in München de eerste Duitse boxerclub
in het leven. Mühlbauers Flocki , de
zoon van een witte 'bulldog' en een gevlekte boxerteef, werd als
eerste Duitse boxer in het stamboek geregistreerd. Zijn
kleindochter, Meta von der Passage, een
dikke witte (!) boxerteef met veel bulldogbloed in haar aderen,
werd de belangrijkste stammoeder van het ras.
Pas in 1905 raakte men het eens over een voor alle fokkers
verplichte rasstandaard. Het zou echter nog twintig jaar duren
eer het doel vaststond:
1. de Duitse boxer moest fors gebouwd
zijn, maar niet plomp; hij moest beweeglijk zijn maar niet
licht.
2. de Duitse boxer moest een waak, dienst
en gebruikshond zijn. Een echte oude bullebijter en geen
terriër of bulldog.
Om dat doel te bereiken werd alles wat tot dan toe nog werd
geduld van de bulldog- of terriërerfenis uit de wereld van
het fokken verbannen: witte, zwarte, of gevlekte honden werden
uitgesloten. Alleen de oorspronkelijke kleuren van de oude
bullebijter waren nog toegelaten: geel en
gestroomd.
Ook de schofthoogte werd steeds hoger. In 1905 was men nog
tevreden met een hoogte voor een reu van 50 tot 55 cm; vanaf 1968
was dit al 57 tot 63 cm.
Sinds korte tijd is het couperen van de
oren en staart, zoals lange tijd gewoonte was, verboden. Dat
verbod heeft echter het uiterlijk van de bullebijter veranderd,
maar het heeft niets afgedaan aan hun kranigheid of karakter.
Boxers waren en zijn kamphonden en kamphonden hadden altijd al
hangoren en een lange staart.
|

Flocki

Meta

Alt's Schecken
|

Bullenbijter

Bullenbijters

Brabanter Bullenbijter
|
|