Lezen - Verhalen - Xena

Xena

Samen met mijn broers en zussen dol ik door de werpkist heen. We hebben de grootste lol met zijn allen. We mogen nu ook uit de werpkist en er gaan een wereld voor ons open. Alles moet ontdekt worden en overal moeten we testen of het tegen onze tanden bestand is. Dat is meteen de periode waar ik het woord FOEI leer. Maar geen nood, de warme neus van mama is altijd in de buurt.
Op een dag komen er mensen naar ons kijken. Das niet vreemd mensen hebben we al genoeg gezien. Grote mensen, kleine mensen, mensen die niets doen, mensen die spelen. Mensen zijn best leuk. Maar deze mensen nemen een van mijn zusje mee. We horen haar piepen als de mensen haar meenemen. Zo Xena jij bent de volgende zegt de grote baas. “Jij word strakjes ook opgehaald door je nieuwe bazin” Jahoor het zal wel denk ik. Maar sneller dan verwacht moet ik inderdaad met een vreemde mevrouw mee. Ai das wel even gek hoor.Hoe ik ook roep de warme neus van mama komt me niet troosten.
Nu is er wat anders. Een warme hand die me aait, en een lieve stem die tegen me praat. Ook wel prettig maar wel even wennen. Ik heb het erg druk. Ik ben in een nieuw huis en ken daar de weg nog niet zo goed. Allemaal vreemde spullen en luchtjes. Mijn eerste verhuizing is een feit. Hier moet ik opnieuw alles ontdekken en besnuffelen. Maar als ik roep is er meteen die warme hand en die vriendelijke stem. ’s Nachts heb ik het wel even moeilijk hoor. Ik zit een kooi die mijn bazin bench noemt. Ik mis nu mijn mama en mijn broertjes en zusjes. Ik roep, ik jank, ik wil eruit, ik wil naar mijn mama. Mijn bazin komt en geeft me een lapje. Een lapje? Wat moet ik daar nu mee? Maar ik snuffel eraan en heeeeeeeeee das bekend. Mijn mama en mijn broertjes en zusjes ! Ik ruik ze aan het lapje. Eventjes ben ik gerustgesteld maar niet voor lang. Weer huil ik en roep ik, en weer komt mijn bazin. Ze haalt me uit de bench en sleept de bench de trap op. Ze zet hem naast haar bed en doet mij er weer in. Ik hoor nu haar ademhaling, ik ga met mijn snuit op het lapje liggen en dommel weg.
Ik word wakker van geluiden, mijn bazin kleed zich aan. Ik piep, ik wil eruit. Maar nee ik moet wachten zegt ze. Ze doet haar jas en schoenen aan en tilt me uit de bench. We gaan naar buiten. Ik snuffel en ik speel met vrouwtjes schoenen. Ik hol er achter aan. Vrouwtje moet er om lachen. Dan moet ik even stoppen met spelen om een plas te doen. Mijn vrouwtje roept GOEDZO BRAAAAAAAAF Ik snap er nog niet veel van, en speel verder. Weer moet ik stoppen met spelen ik moet ook nog even poepen. Vrouwtje word bijna uitzinnig van vreugde en ik lach me rot. Die kan toch maar gek doen dat vrouwtje van mij. Ik krijg een brokje en we gaan weer naar binnen. Nu hoef ik niet meer in de bench, ik mag vrij rondlopen. Soms loop ik met iets in mijn bek en dan roept vroutje FOEI! Dat woord kende ik al. Ik krijg lekker eten, en drinken, en leer dat vrouwtje niet zo blij is als ik mijn behoefte in huis doe. Langzaam aan leer ik van alles. Ik leer netjes aan de riem te lopen. Ik leer hoe ik me moet gedragen, ik leer alleen zijn, en ik leer waar ik op mag kauwen en waarop ik vooral niet mag kauwen. Mijn vrouwtje en ik redden ons wel zo samen.
Op een dag lig ik op het bed van vrouwtje, terwijl ze zenuwachtig heen en weer loopt. Ze haalt al haar kleren uit de kast, en stopt ze er dan een voor een weer in. Dan trekt ze dit aan en dan weer dat. Ik kijk een beetje vreemd naar haar, wat is ze nu allemaal aan het doen. Ze komt bij me zitten, legt haar hand op mijn kop en zegt. Xena ik ben verliefd…………

Ik zuchtte eens en legde mijn kop op mijn poten. Verliefd wat is nu weer verliefd? Wat verliefd was, daar kwam ik de tijd daarna wel achter. Mijn vrouwtje bleef maar zenuwachtig wezen, en ze was bijna niet meer thuis. Ik wachtte dag geduldig op haar, en s’avonds vertelde ze me dan alles over haar gevoelens. Ik luisterde en soms trooste ik haar, ze was wel eens onzeker.
Op een dag was vrouwtje vroeg thuis uit haar werk “Xeentje! HIJ komt vanavond eten”riep ze. En toen werd ze nog zenuwachtiger dan ooit. Ze ging lopen poetsen en koken, en bleef maar heen en weer hollen. Ik bracht haar mijn speeltjes en mijn bal, maar ze had geen tijd om met me te spelen.
Toen de bel ging liep ik afwachtend mee naar de deur. Er kwam een man binnen die me meteen aanhaalde. Ik vond hem wel aardig. Hij was lief voor mijn vrouwtje. Terwijl zij aten maakte ik het mezelf gemakkelijk op de bank. De man zag dat en stuurde me eraf. Hup weg jij honden horen niet op de bank! Nou moe ik mag altijd op de bank. Maar goed ik ging wel op de grond liggen hoor. Zo kon ik hem ook eens even besnuffelen. Ik rook honden. Mijn bazin stelde voor om samen een stuk met me te gaan wandelen, en hij vond dat ook wel een goed idee. Heerlijk eindelijk weer eens tijd voor mij. We gingen lekker naar de hei, daar mag ik altijd loslopen. Hij gooide stokken voor me weg, dat was leuk hij gooide lekker verder dan mijn vrouwtje. Ik wilde haar laten weten hoe goed ik het naar mijn zin had, en sprong tegen haar op en likte haar gezicht. Ik sprong ook tegen hem op maar dat had ik beter niet kunnen doen. Zijn knie stootte gevoelig tegen mijn borst. “honden horen niet tegen mensen op te springen”zei hij. Nou dat zou ik ook zeker niet meer doen. ’s Avonds bij mijn vrouwtje op bed, luisterde ik weer naar de geweldige verhalen over hem. “Hij heeft ook twee honden”vertelde ze.
De weken daarna kwam hij steeds vaker langs. Soms bleef hij slapen, dat vondt ik wat minder leuk want “honden horen niet op bed”zei hij, en deed me in de bench. Langzaam aan leerde ik dat ik mijn vrouwtje moest delen. En dat honden een heleboel dingen niet horen te doen, die ik normaal wel deed. Ze begonnen te praten over samenwonen. “Dan heeft Xena jouw honden als gezeldschap” zei mijn vrouwtje. Hij vond drie honden toch wel wat veel, maar mijn vrouwtje was resoluut. “Xena is mijn maatje en die gaat niet weg” Zei ze dan. De dagen dat ik mijn vrouwtje voor me alleen had werden zeldzamer, maar we hadden nog veel plezier samen. Op een dag nam ze allemaal dozen mee naar huis. Leuk dozen zijn uitermate geschikt om lekker in te springen. Maar dat mocht niet “we gaan verhuizen”zei ze.
Dagen was het een rommeltje in huis. Alles ging in de dozen. Als vrouwtje een doos had ingepakt, inspecteerde ik hem, en soms pakte ik hem weer uit. Maar dat vond ze niet leuk. Eindelijk waren alle dozen vol, en kwam hij met een grote auto waar ze allemaal in moesten. Ik wilde nog helpen maar ik liep alleen maar in de weg zeiden ze. Ze gingen weg en ik bleef achter in een bijna leeg huis. Gelukkig duurde het niet lang voor ze me kwamen halen. We gingen naar een huis waar ik nog nooit geweest was.
Ik moest in de tuin blijven want de honden van hem waren het huis aan het verkennen. Toen ik naar binnen mocht, kwamen de honden dreigend op me af, het waren rottweilers en een stuk forser dan ik. Ik liep afwachtend naar ze toe, maar ze gromden naar me. “wie ben jij?, wat moet je hier? Dit is ons terrein”beten ze me toe. Ik zocht naar mijn vrouwtje en kroop achter haar weg. Ik verlangde naar de geruststellende hand op mijn kop. “nee niet doen, laat haar geen bescherming vinden bij jou” zei hij. “als ze eenmaal weet wie de baas is, en dat accepteert gaat het wel beter”zei hij. Ik ging de twee bullebakken uit de weg, en zocht een plekje uit. Onder de trap lag wel lekker en daar ging ik liggen wachten op wat komen ging……..

Tegen de avond hoorde ik gerammel van etensbakken en ik stormde naar de keuken zoals altijd. De andere twee waren er eerder dan ik, en gromden naar me “wacht op je beurt” Ik deed een stap terug en wachtte af. Ik mocht in de tuin eten, en mijn bak werd buiten gezet. Na het eten mocht ik weer naar binnen. We werden alledrie aangelijnd en we mochten mee naar buiten. Bij de deur wilde ik achter vrouwtje aan naar buiten stappen, maar weer werd ik teruggegromd. “wegwezen wij eerst” Ik leerde dat als ik me aan de regels hield en me onder opstelde dat er niet veel aan de hand was. Maar er was al zoveel wat ik moest leren. Nieuw huis, nieuwe omgeving, nieuwe luchtjes, nieuwe baas, nieuwe plek en dus nieuwe honden. Ik vindt het niet erg om leiderschap op te volgen maar heel soms vergiste ik me wel eens.
Mijn vrouwtje vond het gegrom van deze twee ook beangstigend, en omdat ze wel eens alleen thuis bleef met ons, deed ze mij dan in de bench. Ze was bang dat we zouden gaan vechten en dat ze me zouden verscheuren. De andere twee werden daardoor alleen maar machtiger, maar dat merkte ik later pas.
Op een avond zat ik lekker bij mijn vrouwtje te kroelen, we genoten er allebei van. Een van de twee kwam naar me toe. “wegwezen IK wil aandacht van het vrouwtje” en hij duwde me weg. Ik duwde terug “het was mijn vrouwtje eerst, die laat ik me niet afpakken” Voor ik wist wat er gebeurde greep hij me vast, maar ik wilde niet opgeven en snauwde terug. Voor mijn vrouwtje wilde ik wel vechten. De tweede kwam er ook bij en nu grepen ze me samen. Ik schrok. Ze waren door het dolle heen. Ze beten me waar ze me maar raken konden. Ik vocht in het begin nog verwoed terug. Ik kreeg pijn, en ik zag en proefde bloed. Mijn vrouwtje gilde en probeerde me te helpen. Maar hij hield haar tegen en zei “laat ze het maar gewoon uitvechten” Ik gilde ik voelde mijn vlees scheuren. Ik gaf het op en gaf me over. Ze gingen nog heel even door en hielden toen op.
Ik keek naar het vrouwtje, ze huilde. Ik probeerde op te staan maar het lukte niet. Mijn poot deed pijn en ik was uitgeput. Mijn vrouwtje kwam naast me zitten en daar was hij weer, de vertrouwde hand op mijn kop en de lieve geruststellende stem. De baas kwam ook, en tilde me op. Terwijl het vrouwtje tegen me bleef praten droeg hij me naar de auto. In de auto bleef het vrouwtje naast me zitten, en haar hand bleef op mijn kop. We gingen naar de dierenarts.
Baasje tilde me op de behandeltafel en de dierenarts bekeek me. Steeds bleef het vrouwtje maar tegen me praten. De dierenarts hechte mijn wonden en gaf me een prik. Mijn vrouwtje kreeg tabletjes mee, en ik mocht weer mee naar huis.
Vrouwtje was bezorgd. Ze bracht me naar de slaapkamer en bleef de rest van de avond bij me. Na een paar dagen, moest ik weer naar beneden. Het leven ging weer door en ik was weer een poosje erg voorzichtig met wat ik deed in de buurt van de andere twee honden. Mijn vrouwtje werd steeds banger en deed me steeds vaker uit bescherming in de bench. Het hielp niet echt. De andere twee werden machtiger en machtiger. Ik leerde er mee leven, en het duurde een poos voordat ik weer de fout in ging……….

Steeds vaker lag ik in de bench, uiteindelijk was ik er alleen s avonds nog maar uit, als baasje en vrouwtje thuis kwamen uit het werk. Als de baas s avonds weg moest, moest ik ook in de bench. Vrouwtje was bang om mij er uit te halen omdat ze bang was dat ze niet tegen de twee andere honden op kon als we gingen vechten. De twee andere honden werden met de dag machtiger. Ik kende mijn plaats. Ik was met alles het laatste. Vrouwtje probeerde mij voor te trekken, niet beseffend dat dat alleen maar meer gegrom en gesnauw van de andere twee teweeg bracht. Zolang ik me aan de regels hield ging het allemaal wel. Soms trokken vrouwtje en ik er alleen op uit. Even met zijn tweeen naar het bos of strand, heerlijk, we genoten er samen van. Spelen met een bal, of met een stok. Ik kon er na zo’n uitje weer even helemaal tegen.
Op een dag was vrouwtje vlees aan het snijden in de keuken. De andere twee lagen bij het aanrecht en ik lag in de deuropening te kijken. Op een stukje vlees wat per ongeluk viel had ik geen kans, de andere twee hadden immers het eerste recht om te eten? Wetend dat het me een correctie op zou leveren, probeerde ik het niet eens meer. Plotseling ging een van de twee staan, en wilde een stuk vlees van het aanrecht afpakken. Vrouwtje riep NEE en duwde hem weg. Hij gromde naar haar, en probeerde het nog een keer. Weer riep vrouwtje NEE en weer duwde ze hem terug. Het gegrom werd dieper en hij snauwde naar haar. Ze deinsde terug. Daar maakte hij gebruik van, en hij snapte het stuk vlees van het aanrecht. Vrouwtje liep op hem af en wilde het stuk vlees afpakken, hij gromde weer, maar vrouwtje zette twijfelend door. Nu beet hij toe. Ik sprong ertussen en greep hem. Hij stond op en beet toe. Vrouwtje liep roepend achteruit. Ze vielen me nu met zijn tweeen aan. Ik wilde niet opgeven, hoewel het er fel aan toe ging. Ik beet waar ik raken kon, maar ik kon niet tegen ze op. Ik voelde overal pijn. Ze bleven scheuren en trekken. Vrouwtje gilde. Ik voelde dat ik dit niet lang meer kon volhouden. Ik zakte door mijn poten, en kon niet meer opstaan. Bloed druppelde in mijn ogen, ik kon niet meer goed zien. Ik werd in mijn buik gebeten. Ze waren helemaal door het dolle. De baas kwam op het lawaai af. KAPPEN NU! Zijn stem brulde door de keuken. Hij pakte een pan en sloeg een van de honden. Ik zag niets meer, en langzaam verloor ik het bewustzijn.
Ik werd wakker bij de dierenarts. Mijn vrouwtje zat naast me, en huilde. Haar hand lag op mijn kop. Ik likte zachtjes haar hand. Ik moest bij de dierenarts blijven. Ik kreeg een naald in mijn poot met een slangetje eraan. De dierenarts noemt het een infuus. Ik had veel bloed verloren. Ik kreeg een soort bench bij de dierenarts. Mijn vrouwtje kwam elke dag op bezoek. Dan kwam ze bij me zitten, en praatte ze met me, terwijl ze me voorzichtig streelde. Na een paar dagen mocht ik mee naar huis. Weer mocht ik op de slaapkamer blijven. Mijn vrouwtje had veel aandacht voor me. Ik knapte op en moest weer naar beneden. Weer zat ik veel in de bench. Ik wilde er niet meer uit. Er hing een broeierig sfeertje bij de andere twee. Ik gromde en blafte als ze in de buurt van mijn bench kwamen. Ik was bang en probeerde ze af te schrikken zodat ze me met rust zouden laten. Ze waren niet onder de indruk. Baasje en vrouwtje maakten veel ruzie. Op een ochtend kwam vrouwtje naar beneden, en ze was anders dan anders. Ze kwam naar de bench en zei steeds “Sorry Xena het spijt me zo” Ze huilde. Ik likte haar hand, en wist niet wat ze bedoelde. Ze ging die dag huilend naar haar werk.
Later die dag haalde de baas me uit de bench. Hij deed mijn riem om, en nam me mee. We gingen met de auto, maar namen niet de weg naar het strand of naar het bos. We stopten bij een laag gebouw. We gingen naar binnen. Ergens waar ik nog nooit geweest was. Ik rook veel honden, en ook angst. Ik begreep niet goed waar ik was. Een mevrouw riep me en aaide me. Ik keek onwennig om me heen. Ik rook zoveel verschillende luchtjes en ik begreep het niet. De baas vulde wat papieren in, betaalde en gaf de riem aan de mevrouw. Hij draaide zich om en liep weg. Ik wilde hem achterna gaan, maar de mevrouw hield me stevig vast. “Nee Xena, je hoort nu hier “zei ze. Ze nam me mee naar een deur. Toen ze die open deed schrok ik me naar. Een enorm geblaf kwam me tegemoet. Horen en zien verging me. Ik wilde weglopen, maar de mevrouw trok me mee de gang in. “Kom Xena, het went wel echt waar”zei ze. Ik was bang, ik wist niet wat ik moest doen. In de gang waren aan weerszijden hokken, en in al die hokken zaten honden, die allemaal om het hardst blaften. Ze sprongen tegen de hekken. Ik probeerde nog een paar keer weg te lopen, maar het lukte niet. De mevrouw stopte voor een leeg hok. Ze deed de deur open, en duwde me naar binnen. Ze deed mijn riem af en verdween weer. Ze liep weg en zodra ze weg was en de deur achter zich dicht had gedaan verstomde het geblaf. Ik keek eens rond. Er stond een bak fris water, maar ik durfde niet te drinken. Achterin de kennel hing/stond een houten verhoging met een kleed erop. Ik vroeg me af wat er verder zou gebeuren……………………….

Het duurde even voor ik aan het leven in het asiel wende. Ik leerde dat ik door een luik naar buiten kon, en dat we op tijd eten en drinken kregen. De mensen die er werkten waren stuk voor stuk lief voor ons, alleen hadden ze het altijd druk druk druk. Dagelijks werden we uitgelaten aan de riem. Soms alleen en soms met een groepje. In groepjes was ik een beetje angstig, ik had geen zin weer bij de dierenarts te logeren. Die kwam trouwens ook op het asiel, de dierenarts. Ook ik mocht naar zijn kamertje toe. Hij bekeek me en betaste me, hij gaf me een klein prikje, en een grote prik. Daarna ging hij met een ding langs me heen en hoorde ik een piepje.
Soms kwamen er vreemde mensen naar het asiel. Die liepen dan langzaam langs de hokken, en stelden vragen aan de mensen die hier werkten. Soms namen ze een hond mee uit wandelen en er waren keren dat ik ook mee mocht. Soms namen mensen een hond mee. Die kwam dan niet meer terug en een poosje later zat er dan een nieuwe hond in hun hok. Uiteindelijk wende ik aan het leven daar, en werd weer blij van dingen. Blij als een van de mensen die er werkten eens extra tijd had om me uitgebreid te knuffelen, of borstelen. Blij als ik mee mocht wandelen, en blij als ik mijn etensbak kreeg. Maar ook hier waren problemen. Het asiel moest sluiten van de gemeente en we moesten allemaal weg. De honden die niet geplaatst zouden worden zouden naar de dierenarts gaan voor een spuitje.
Voor mij kwamen ook mensen.
Ze namen me mee in de auto. Ik mocht bij deze mensen niet mee in huis. Achter het huis hadden ze kennels gebouwd en er zaten nog meer honden van mijn soort. We werden vier keer per dag uitgelaten, en kregen goed te eten. Bijna elke avond mocht er een hond mee in de auto. En op een avond was het mijn beurt om mee te gaan. Ik mocht met de baas mee in de auto.
We gingen naar een groot veld waar nog meer honden waren. Sommigen deden oefeningen voor hun bazen, en als ze het goed deden werden ze geaaid of kregen ze een koekje. Ik kreeg even de tijd om te wennen aan waar we waren. Ik keek mijn ogen uit. Allemaal honden om me heen. Honden die voor hun bazen dingen deden, en dan beloond. Dat wilde ik ook wel! We begonnen rustig. Volg, Zit, Af, en blijf. Dat was niet zo moeilijk dat kende ik allemaal al. Alleen als er een andere hond in mijn buurt kwam, dan werd ik angstig. Ik begon dan meteen te blaffen en te grommen. Maar de oefeningen gingen goed, en ik had plezier. Ik werkte graag en werd uiteraard graag beloond.
Op een gegeven moment gingen we iets nieuws doen. Het hele veld werd leeg, alleen mijn baas en ik bleven achter. De baas ging gek doen, hij deed heel opgewonden en ik begreep niet zo goed waarom. Er kwam een andere man het veld op. Hij kwam op me afgerend, en ik blafte naar hem. Plotseling bleef hij staan. Als ik blafte spoorde baasje me aan. “Jaaaa goed zo Xena, stellen , stellen”riep hij. Ik ging nog harder blaffen. De man stak een arm naar mij uit die in een soort mouw gewikkeld zat. Ik stopte met blaffen, en snuffelde er aan. “NEE” riep de baas. “vast Xena VAST” Ik begreep er niets van en ging zitten. Het hele spel begon opnieuw. En weer snuffelde ik aan de mouw. De baas was teleurgesteld. Maar ik weet niet waarom. Ik weet niet wat ze van me willen. Ik begrijp het niet.
We gaan weer naar huis. Thuis moet ik weer in de kennel. Op een dag komt er een vreemde man naar me toe. Ook hij doet de oefening met de mouw. Nog steeds begrijp ik het niet. Hij zegt tegen mijn baas “Doe deze maar weg, hier heb je niets aan voor de sport” Ik mag niet meer mee met de auto. De andere honden gaan bijna elke avond maar ik ga niet meer mee. Op een dag komen er een man en een vrouw. Ze hebben papieren bij zich. De baas moet een handtekening zetten en dan nemen deze mensen mij mee. Ik mag mee in de auto.

Na een half uurtje rijden mag ik uit de auto. We staan voor een huis en ik mag mee naar binnen. Ik ruik weer heel veel honden, maar minder angst. Ik ben benieuwd waar ik nu weer ben. Ik moet een trap op en de mevrouw gaat met me mee.
Boven mag ik vrij rondlopen. Ik snuffel rond om te kijken waar ik ben. Ik ruik zoveel verschillende luchtjes ik kan er geen wijs uit worden. Ik zie een bench staan. Ik ga eens kijken en ontdek dat er een beest in zit. Kleiner dan ik. Mevrouw noemt het een kat. Ik snuffel aan de bench en de kat komt dichterbij. We besnuffelen elkaar. Ik begrijp het beest niet, maar hij is niet onvriendelijk. Ook als mevrouw de kat laat loslopen vindt ik het niet erg. Ik snuffel af en toe aan hem.
Als ik een beetje op mijn gemak ben, roept de mevrouw me. We doen wat oefeningen zoals zit en af. Geen probleem. De mevrouw is blij als ik ze goed uitvoer en beloond me met een koekje. Even later gaan we naar buiten. Daar moet ik ook volgen. Ook dat is geen probleem. Als we een andere hond tegen komen begin ik te blaffen en te grommen. De vrouw geeft een ruk aan de lijn en zegt “NEE” Verder gaat de wandeling goed, en we gaan weer naar binnen.
Ik begin net een beetje te wennen aan de nieuwe omgeving als er mensen op bezoek komen. Ik weet niet zo goed welke mensen er nog wel en welke niet te vertrouwen zijn, dus ik wacht op een afstandje even af. De mensen gaan zitten en roepen me. Ik ga eens kijken en snuffelen. De mensen blijven lang praten, en stellen vragen aan de mevrouw. We gaan ook met deze mensen een stukje wandelen. Ik vindt ze wel gezellig. Als we weer binnen zijn, leg ik mijn kop op hun schoot. Ze aaien me en praten tegen me. Dan vullen ze papieren in en pakken ze mijn riem. Ik mag met ze mee.
Weer mag ik mee in de auto. Weer kom ik terecht in een nieuwe omgeving. Weer allemaal nieuwe luchtjes en weet allemaal nieuwe dingen. Ik word er een beetje tureluurs van. Weer verken ik mijn terrein. Ik krijg te eten en drinken, en de mensen zijn lief voor me. Weer heb ik nieuwe bazen. De hoeveelste al? Ik ben de tel kwijt. Ik lijk wel een zwerver. Ik ga s avonds met de baas een rondje wandelen. Ook buiten wil ik mijn terrein verkennen. Ik snuffel nauwkeurig alles af. Plotseling komt er een andere hond aan. Ik schrik. Ik grom en blaf “Blijf uit mijn buurt, laat me met rust” Het baasje wat bij die hond hoort trekt hem terug. Ook mijn baasje trekt me mee naar de andere kant van de straat. Ik leer iets. Ik leer dat als ik lelijk doe, dat mensen ervoor zorgen dat andere honden uit mijn buurt blijven. Dus lelijk doen = rust.
Als we weer binnen zijn, gaan we slapen. Weer zo’n buitenkansje ik mag op de slaapkamer slapen. De volgende morgen laat mijn nieuwe vrouwtje mij uit. Weer komen we andere honden tegen, en weer blaf en grom ik. En weer werkt het. Mijn vrouwtje sleurt me gauw mee de andere kant op. Yessssssss ik heb het door. Ik heb het voor elkaar, ik weet hoe ik andere honden uit mijn buurt moet houden………
Die middag ga ik met het vrouwtje mee naar haar werk. Ze werkt bij een dierenarts, en in de wachtkamer zitten een paar honden. OOPS! Nu zal ik me maar even rustig houden, want ik zie geen kans om te vluchten. De deur zit stevig dicht. Onopvallend ga ik naast vrouwtje zitten en ik hou me stil. De andere honden kunnen niet bij me komen want ook zij zitten aan de riem. Ik kruip toch voor de zekerheid een beetje weg achter het vrouwtje. De dierenarts kijkt me na en we gaan weer naar huis.
Het leven gaat verder. Ik blijf buiten blaffen en lelijk doen, en alle honden blijven uit mijn buurt. Op de derde dag zeggen mijn nieuwe baasjes dat ze het niet leuk meer vinden en bellen de mevrouw die me aan ze heeft meegegeven. De mevrouw adviseert oefeningen en een cursus maar daar hebben de nieuwe baasjes geen zin in. Weer mag ik in de auto. Ik kom weer bij de mevrouw die me aan deze mensen heeft gegeven, en weer gaan mijn baasjes weg zonder mij………………….

Ik snuffel weer wat rond maar heb al gauw weer mijn plekje gevonden. Ze zijn hier aardig voor me. Toch voel ik dat ik hier niet blijf. Ik kom bijvoorbeeld nooit beneden in de kamer, waar twee andere honden zitten.
Het duurt ook niet lang voor er weer mensen voor me komen. Ze aaien me, zijn aardig voor me, en gaan met me wandelen. De mevrouw praat nog meer en nog langer met deze mensen dan met de vorige. Ze verteld dat ik niet aardig ben tegen andere honden, en dat ze daaraan moeten werken. Ze verteld dat ze graag wil dat ze met me op cursus gaan, en dat zij dat wel willen betalen. De mensen vertellen dat ze eerder honden hebben gehad zoals ik, en dat ze het altijd goed hebben kunnen trainen. Ze zegt dat ze me graag goed wil plaatsen, en dat er genoeg met me gesleept is. Ze zegt ook dat ze me alleen plaatst als mensen er 100% van overtuigd zijn dat ze me ook echt willen houden. De mensen willen me graag hebben, maar toch geeft de mevrouw me niet mee. De mensen gaan weer weg. Om na te denken zegt ze. De volgende dag komen ze weer. Nu mag ik wel mee.
Het hele gebeuren begint weer van voren af aan. Weer nieuwe geuren, weer nieuwe indrukken. Ik word er onzeker van. Ik weet niet meer wie of wat ik moet vertrouwen. Hier in huis loopt ook een kat, maar ze vindt me niet leuk. Ze krabt naar me. Ik ga weer over op het oude spelletje. Ik grom en blaf en maak me zo groot mogelijk. Het werkt, ze gaat weg. Weer heb ik iets geleerd.
De mensen zijn er niet zo blij mee. Ze stoppen me in de keuken en daar moet ik blijven. Ik snuffel de hele keuken door en na een poosje verveel ik me. Ik spring tegen de deur en leg mijn poot op de deurklink. De deur gaat open en blij loop ik weer naar de mensen toe. Maar de kat is er ook weer. Weer blaf en grom ik naar haar, en weer win ik, ze gaat weg. Weer zijn de mensen niet blij. Ze stoppen me weer in de keuken. Dat truukje ken ik nu en in no time sta ik weer bij ze. Maar ze worden nu boos. Ze pakken mijn riem en nemen me mee naar buiten. Op de galerij komen we een meneer tegen. Hij staat zo ineens voor mijn neus. Ik schrik en blaf naar hem. De mensen worden nog bozer. Ze nemen me mee naar een mevrouw die ik nog nooit heb gezien. Ze noemen haar mama. Ze gaan weg en laten me achter.
Ik blijf bij de mama. Ik ga mijn neus maar weer eens achterna en ga weer op verkenning uit. De mama is lief voor me. Ze aait me en praat tegen me. Plotseling zie ik vreemde mensen langs de kamer lopen, ik schrik en blaf. Ik wil naar ze toe maar ik word tegengehouden door een raam. Dit gebeurt steeds opnieuw, steeds opnieuw zie ik mensen lopen, en steeds opnieuw blaf ik. De mama vindt het niet leuk. Ze word boos en scheld op me. De baasjes komen weer en nemen me mee. Ik hoor het al aan hun stemmen. Ik moet weer weg…………. Nog twee dagen blijf ik bij hun…..In het huis van de mama, maar er is niemand thuis. De baasjes komen alleen om me uit te laten. Dan word ik weer in een auto gedaan en terug gebracht, naar de mevrouw die me al twee keer heeft weg gegeven. Ik ben het zat! Is er dan niemand die mijn vertrouwen waard is?

De mevrouw is even aardig als altijd en zegt “Zo Xena we gaan je eens een poosje naar Elise sturen. Elise is een van de opvang adressen en daar ga je een poosje logeren” Elise komt, en neemt me mee. Maar HELP ik zie meteen twee andere honden. Elise sleurt me niet weg van de andere honden. De andere honden blaffen en grommen niet naar me. Ik raak verward. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik probeer achter Elise weg te kruipen maar ze stapt opzij. Eerst komt de eerste hond naar me toe. Ik weet niet wat ik moet doen. Grommen en blaffen helpt niet. Ik besluit onderdanig te zijn. Ik lik de oren en bek van de hond. De hond blijft vriendelijk. Ze maakt een speelgebaar. Ik schrik ervan ik ken dit niet….. Ik blaf en snauw naar haar. Ik weet me met mezelf geen raad. Ze word boos. Net als ze echt boos word grijpt Elise in. Ze haalt ons uit elkaar. De ene hond gaat weg. Ik krijg even rust, en de tijd om de omgeving te verkennen. Dan komt de andere hond.Weer ben ik onderdanig ik lik de bek en oren van deze hond. Ook deze maakt een speelgebaar. Weer schrik ik. Ik snauw van me af als redmiddel, wat moet ik anders? Ik begrijp dit niet. Weer grijpt Elise in voor het uit de hand loopt. Ik ben verward. Elise en haar vriend houden me gescheiden van de andere honden. Ze proberen ons allemaal gelijke aandacht te geven. Ik ontdek dat spelen met een bal leuk is. Ze doen ook oefeningen met me. Door een glazen raam kunnen de andere honden mij zien, en ik hen. Even lijkt het erop dat ik toch weer een nieuwe baas vindt, maar deze meneer had een vals adres opgegeven en mag mij dus niet meenemen. Ik blijf bij Elise. Ik leer dingen. Ik ben nog steeds bang voor andere honden. Wat gaat er verder gebeuren?

Het is wel even wennen bij Elise. Soms moet ik overdag in de kennel zitten, omdat ze de aandacht tussen mij en de eigen honden moeten verdelen. Soms mag ik bij ze in de woonkamer en spelen ze met mij. Ik zie mensen langs het raam lopen maar ik blaf niet tegen ze. Ik voel me langzaamaan een beetje vertrouwd.
S avonds gaan Jan en Elise naar boven, en moet ik beneden blijven. Dat vindt ik niet leuk. Ik probeer de deur open te krijgen, maar het lukt niet. Ik begin te piepen, maar niemand komt. Ik begin te janken maar nog steeds geen reactie. Ik blijf janken, wel twee uur lang, maar er gebeurd niets. Ik ben even stil en begin op nieuw. Dan schrik ik me wezeloos, er komt een schoen holderdebolder van de trap af gedenderd alleen zit er geen mens in. Ik weet zeker dat schoenen niet alleen kunnen lopen, dus ik schrik. Ik ben een kwartiertje stil. Ik durf niet goed meer te janken met rondvliegende schoenen. Ik verzamel moed en begin opnieuw te janken. Dan kom ik op een goed idee. Ik probeer de trap op te komen. Maar het is een hele enge trap. Het is zo’n open trap. Brrr halverwege durf ik niet meer, maar ik durf ook niet terug. Dan komt Elise, haar haren zijn in de war. Ze schiet in de lach als ze me ziet staan. Ik kijk zielig want ik sta eng te wiebelen. Nou kom maar naar boven dan zegt ze en ze helpt me de rest van de trap op. Ik ga naast het bed liggen leg mijn kop op mijn poten, en val in slaap. Nu voel ik me veilig ik heb geen reden meer om te piepen.
De volgende morgen gaan we oefenen. Jan is met Anouk buiten, en houdt haar vast. Ik moet ook mee naar buiten en Elise houdt mij vast. Ik vindt het eng. We gaan steeds dichter naar Anouk toe. Ik begin te grommen en te blaffen, maar Elise geeft een ruk aan mijn lijn en zegt foei. Als ik daarna een paar passen loop zonder te blaffen en te grommen, is Elise blij. Ze aait me en zegt dat ik braaf ben. Iedere keer dat ik blaf of grom word Elise boos, en als ik het niet doe word ze blij. Het duurt even voor ik het begrijp, maar ik wil Elise wel graag blij maken. Zo komen we steeds dichterbij Anouk. Even later gaan Anouk naar binnen en komt Damy naar buiten. Het spelletje begint opnieuw. Als het is afgelopen ben ik minder bang. Als we later met zijn allen in huis zijn, liggen Damy en Anouk aan de ene kant van een deur, en ik aan de andere kant. We kunnen elkaar zien. Ik ben nieuwsgierig en later liggen we door een kier in de deur neus aan neus. Zo doen we vaker oefeningen en het gaat steeds beter. Elise is vaker en vaker blij.
Op een dag komen er weer mensen kijken. Een man, vrouw en twee kinderen. Ik vindt ze wel leuk. De man vindt ik het leukste, ik zit graag bij hem, en leg mijn kop op zijn schoot. De mensen praten lang met Jan en Elise, en de man verteld veel dingen over vorige honden die hij heeft gehad. De man is lekker duidelijk. Hij stelt meteen wat mag en wat niet, daar voel ik me prettig bij. Na heel lang praten mag ik weer eens mee. We gaan weer in de auto, en weer kom ik op een nieuwe plek. Na verkenning besluit ik dat ik me redelijk thuis voel. Dat komt ook door de duidelijk regels. Ook zijn hier katten. Ze vinden me niet zo leuk. We leren langzaam aan om elkaar met rust te laten. Op een dag gaan we ineens iets geks doen. De man komt met een raar ding in zijn hand. Hij noemt het een camera en ik ga met vrouwtje op de bank zitten. De man houdt de camera op ons gericht en verteld over mij. Als het klaar is zegt hij “Zo dat is een leuk filmpje, die sturen we naar de mensen van de dierenambulance”

En zo is het gegaan met Xena.
Xena heeft eindelijk haar thuis gevonden, en wij worden regelmatig verrast met een leuk filmpje met Xena in de hoofdrol.
Toch nog een goed einde!

Top

Verhalen:

¤   Copyright Jumping Boxers 2002-2006©   ¤   Made by bLinKing Design   ¤